Een buik vol onmetelijke rijkdom

Vanuit dromenland hoor ik heel zachtjes in de verte kleine voetjes richting mijn bed lopen. Ik open mijn rechteroog half, sla mijn deken omhoog en voel het kleine lijfje van Zora tegen mij aankruipen.  Ze voelt koud aan, waarschijnlijk is ze daar wakker van geworden. Ik vouw mijn warme armen om haar heen en samen dwarrelen we weer in slaap.

Aan het begin van de ochtend word ik weer wakker en vraag me niet hoe, maar in het tweepersoons bed liggen inmiddels zes wezens te slapen. Zeven als ik dat kleintje in mijn buik meetel. Een bed vol onmetelijke rijkdom. Maar ook vol oncomfortabele posities. Papa springt er als eerst uit. Gevolgd door Ronja die trek heeft en op jacht gaat naar een banaan. De jongste drie, die straks de middelste drie zullen zijn, blijven heerlijk om me heen liggen. Samen genieten we van de ruimte.

Dan wordt het jongste wezentje ook wakker…

‘De baby schopt. Wie wil er voelen?’

‘Ik!’

‘Ik!’

‘Ik!’

Drie paar handjes op mijn buik. Maar het blijft stil.

‘Ik denk dat de baby een beetje verlegen is geworden van al jullie aandacht, denk je niet.’

Layla denkt dat de baby weer slaapt.

‘Ik ga hem wakker maken!’ roept ze met ondeugende oogjes. En voor ik het weet stort ze haar gezicht op mijn buik en begint hard te blazen. Een trompetgeschetter klinkt door de kamer.

‘Nu ik!’ Thura duwt Layla opzij en ook zij werpt haar gezicht op mijn buik, gevolgd door Zora, die ook buiktrompet wil spelen. Layla probeert of ze er ook nog bij kan. Met z’n drieën wordt mijn halve lijf bespeeld en met een grote glimlach bekijk ik het tafereel.

‘De baby schopt weer!’ roep ik en zes handjes worden op mijn buik gelegd. Het is muisstil… Grote ogen kijken vol spanning naar mijn buik. We wachten af… Ik voel wat bewegen… En…

‘Ja! Een schop! Voelden jullie dat?! En nog één!’

‘Layla en Thura knikken met glinsterende ogen van ja. Zora weet nog niet wat ze moet voelen. Zij wordt nu voor het eerst grote zus. Ze aait over mijn buik.

‘Baby, watter wodde.’

‘Ik ga een banaan eten,’ zegt Layla.

En weg zijn de meisjes. Ik rek en strek me uit in het grote mensenbed. Wat een ruimte heb ik opeens. Ik leg mijn handen op mijn buik en voel het kindje flink bewegen.

‘Ja, daar ben je hè. Veilig in mama’s warme buik. Lekker groeien en bloeien. En nu al speel je met je grote zussen. Je mag nog drie maanden blijven rondzwemmen hoor.’

In gedachten zie ik beelden van het vijfde kindje. Ik kan niet anders dan er weer een dochter van maken. Al zou een jongetje natuurlijk ook hartstikke welkom zijn. Ik zie voor me hoe ze op een rijtje zitten en elkaars haren borstelen. In de praktijk zullen ze waarschijnlijk net zo vaak elkaars haren uittrekken als vlechten, maar goed. Dit is een dagdroom en dan kan alles.

Nog steeds heb ik dagelijks een moment dat ik denk ‘ik kan dit niet! Niet nóg een kind!’ Toch verschuift mijn gevoel van onmacht steeds meer naar tevreden dankbaarheid. Ik hoef dit niet alleen te doen, we doen dit samen, met z’n allen. Ik aai nog een paar keer over mijn buik vol onmetelijke rijkdom.

‘Kom kleintje, tijd om op te staan.’

pillows-820149_640

 

Advertenties

‘Mama, heeft de baby eigenlijk al een jongens of een meisjes plasser?’ 

apples-983942_640

Het is zo’n ochtend in de vakantie. Je weet wel. Zo’n ochtend waarbij mama zo lang mogelijk in bed blijft liggen en de kinderen hun grootste honger verzachten met een rode sappige appel. Je hoeft nog even niks. De pap kan wachten, thee komt straks, douchen en aankleden… Ach de dag duurt nog lang. En dan op het moment dat je je nog een keer omdraait en denkt dat je nog even kan afdwalen naar dromenland hoor je van beneden de jongste roepen:

‘Maaaaamaaaaa, ik ben KLAAAHAAAR!!!!’

Met enige tegenzin (lees: al steunend en kreunend) stap je het bed uit en strompel je door de gang richting de trap. Onderweg struikel je net niet over rondslingerende knuffels die allemaal al netjes aangekleed zijn. Beneden aangekomen loop je plichtsgetrouw naar het toilet, veegt die allerliefste billetjes af, wast je handen, aait over een paar bolletjes met ongekamde haren en besluit dan toch maar de waterkoker te vullen. Slapen? Dat komt vanavond wel weer.

Zo’n ochtend was het dus. Totdat Ronja (de oudste van 7) voor mijn neus stond met wakkere ogen en aan mijn arm begon te trekken.

‘Kom eens kijken wat ik kan!’

Ik word op de bank neergezet en krijg een show van radslag, split (of was het nu spagaat?), handstand en brug.

‘En kijk nu naar mij!’

‘En naar mij!!’

‘Mama, nee kijk eerst naar mij! Alsjeblieeeeeeft!!’

De dag is weer begonnen. Wederom besef ik mij wat voor rijkdom we hier in huis hebben. Weliswaar een drukte en rommel van jewelste, al voor 8 uur ’s ochtends. Maar zeg nu zelf… Eigenlijk mag ik hier niet mopperend voor uit bed komen.

Na een tijdje naar de rondvliegende en springende kinderlijfjes te hebben gekeken ben ik wakker genoeg om aan de pap te beginnen. Op het moment dat ik ga staan, staat weer Ronja met haar grote wakkere ogen voor mijn neus. Ze geeft een speelse tik op mijn buik en vindt dat ik nu toch wel dik aan het worden ben.

‘Mama, heeft de baby eigenlijk al een jongens of een meisjes plasser?’

Het ‘p-woord’ is gevallen. Dus alle kleine meisjesoren staan gespitst te luisteren en het is opeens muisstil.

‘Ja, de baby heeft nu wel een plasser ja.’

‘Wanneer gaan we kijken wat het is? Ik wil weten wat het is! Of we een broertje of zusje krijgen!’ roept Ronja enthousiast.

‘Ik wil een zusje!’ zegt Thura.

‘Ik wil een broertje. Nee een zusje. Nee ik wil geen baby!’ schreeuwt Layla.

‘Ik wil gote sus!’ probeert Zora er overheen te roepen.

De meisjes lachen.

‘Je hebt al drie grote zussen gekkie! Je wordt zelf grote zus,’ legt Ronja haar kleinste zusje uit.

Zora lacht lief en haalt haar schouders op. Acht handjes aaien nu mijn buik.

‘Mogen we het weten mama? Asjebliefffffffff?’

Hun nieuwsgierigheid prikkelt de mijne. Hoe kan ik dit smekende koor nu weerstaan. Ik sluit even mijn ogen en leg mijn handen op mijn buik. Wat wil de baby zelf?

‘Weet je lieverds, de baby is lekker rustig aan het groeien in mijn buik. Ik denk dat het niet zo fijn is voor de baby als we gaan kijken met zo’n apparaat. Dat maakt heel veel herrie. Wij horen dat niet, maar de baby wel. We moeten gewoon wachten en als het wordt geboren dan gaan we kijken, ok?’

‘Jammer,’ zegt Ronja. ‘Wie gaat er mee vader en moedertje spelen?!’

En weg zijn ze.

Al roerend door de pap denk ik nog even na over een geslacht bepalende echo. Ja natuurlijk zou ik het ook ontzettend leuk vinden om samen met mijn vier meiden naar de verloskundige te gaan en via het schermpje even in de buik te gluren. Maar ik doe het toch niet. Ik wil ze vooral de magie van het zwanger zijn meegeven. Het volgen van de natuur en het niet weten. Het zijn in het moment met getrappel van een baby in plaats van een jongen of een meisje. Een kindje dat nog helemaal heel kan zijn en niet in de buik al een stempel opgedrukt krijgt. Een kind dat nu al alle liefdevolle ruimte krijgt om te zijn wie het is.

De pap is inmiddels klaar.

‘Kom baby, we gaan douchen’, zeg in in gedachten. En een schopje in mijn buik antwoordt dat het goed is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hier en nu is het allermooist

Met twee fietstassen gevuld met handdoeken, zwembandjes, wortels en water vertrekt de meidenkaravaan richting het meer. Peuter Zora zit in de bakfiets en wijst ons de weg. De andere drie meiden fietsen zelf. Vanuit mijn linkerooghoek zie ik een blauw-wit gestreept zwempakje voorbij racen. Layla neemt een sprintje om vooraan te kunnen fietsen. Ronja en Thura fietsen rustig achter mij aan.

Bij het meer aangekomen treffen we een leeg grasveld aan. In de verte loopt een man met een hond. Het water weerspiegelt onaangeroerd deze vroege ochtend. Op de bodem zien we klein visjes rustig zwemmen. Maar zodra de eerste kindertenen het water aanraken schieten de visjes vliegensvlug de andere kant op.

Ik leg een kleedje op het gras en haal de handdoeken uit de fietstas. Zora komt met haar twee zwembandjes naar me toe gelopen. ‘Omdoen?’ Ze lacht lief en licht ondeugend. Klaar om haar zussen achterna te gaan. Ik ga zitten op het kleedje en kijk hoe de meiden centimeter voor centimeter het water in lopen. Layla rent voorbij en duikt in een keer het water in. Vrolijk gelach en gegil verraadt dat het water toch iets kouder is dan ze dachten. Ronja en Thura liggen er inmiddels ook helemaal in en Zora dobbert op haar buikje met twee voetjes in de lucht. Layla neemt een grote hap lucht en verdwijnt onder water. Op haar eigen wijze zwemt ze een paar meter, komt boven water voor een nieuwe hap lucht en zwemt weer verder. Kleine dolfijn. Wanneer ze weer boven water komt gaat ze staan en veegt haar natte haren uit haar gezicht. Haar ogen zoeken naar mij.

‘Zag je dat mama?!’

‘Ja liefje, ik zag het! Wat kan jij al ver onder water zwemmen zeg!’

Vervolgens duiken de andere meiden ook onder water en mag ik al hun kunsten en trucjes aanschouwen. Ik neem alle spetterende armen en benen waar. Alle schaterlachen en al het geproest. Ik voel de zon op mijn rug en een mier over mijn been kriebelen. Er kriebelt ook iets onder in mijn buik. Het vijfde kindje dat in mij aan het zwemmen is. Ik zie voor me hoe we hier volgend jaar zitten aan dit meer. Vier meiden die weer een stukje groter zijn en een baby van zes maanden die voor het eerst dit water in zal kruipen en dit zand zal proeven. Hoe ik dan op een andere manier zal genieten van mijn kinderen, wanneer mijn handen gebonden zijn aan zo’n klein wezentje. En hoe ik dat hummeltje dan even bij papa laat, zodat ik met de andere kinderen kan spelen in het water.

Hoe heerlijk dat vooruitzicht ook is, het hier en nu is toch het allermooist. Ik leg mijn handen op mijn buik. ‘Ga je mee een duik nemen?’ vraag ik baby in gedachten. ‘Het water is nog wel een beetje koud, maar daar zal jij weinig van voelen.’ Ik trek mijn kleren uit en ren naar het strand.

‘Pas op! Daar komt mama!’ Gillend ren ik het water in en duik ik, net zoals mijn dappere Layla, in een keer het water in. ‘Ahh koud!’ roep ik uit. Lachen, gieren, brullen op deze vroege ochtend. Kan een dag zaliger beginnen dan dit?

 

IMG_0851

 

 

 

 

De storm

In de elfde week van mijn zwangerschap is het hormonale hoogtepunt bereikt. De hele dag zit mijn maag in een achtbaan en vliegen mijn emoties alle kanten op. Het leven deed er nog een schepje boven op. Op de vrijdagochtend dat ik Zora naar haar peutergroepje breng en Ronja en Thura achter mij aan fietsen, vindt er op een kruispunt een ongeluk plaats. Tientallen meters voor ons wordt een fietser geschept door een bestelbusje. Ik zie hoe een man tegen de auto opknalt en weer op de grond valt, terwijl zijn fiets een andere kant opslingert.

‘Oh nee!’ roep ik uit en fiets zo hard als ik kan richting het ongeval. Meteen bel ik 112. Op het eerste gezicht lijken de verwondingen mee te vallen. De politie en ambulance zijn in aantocht en ik besluit verder te fietsen. Ik heb geen idee hoe mijn meiden dit voorval ervaren hebben. Zelf was ik behoorlijk geschrokken. De adrenaline stroomde door mijn lijf en ik kon daarna alleen nog maar huilen om weer tot rust te komen.

Nadat ik ’s middags, net voordat ik naar het station gebracht zou worden voor de trein richting mijn laatste weekend van de Fire Keeper training, wat bloed wegveeg na het plassen, worden mijn emoties nog een keer alle kanten heen gestuurd. Ik blijf er aardig rustig onder, maar als ik tijdens de reis naar België buikkrampen begin te krijgen, beginnen  ook de tranen weer te stromen. En eigenlijk neem ik ook meteen afscheid. Bloed en krampen. Dit is het einde van deze zwangerschap. Het is goed zo.

De volgende ochtend word ik wakker en mijn lijf voelt rustig. Er vloeit geen bloed meer en de krampen zijn ook weg. Maar opgelucht ben ik niet. Ik weet nu helemaal niet meer waar ik aan toe ben. Ik voel me loom, zwaar, leeg en verdrietig. Gelukkig ben ik op de juiste plek om mijn gevoelens de ruimte te geven. De training vindt dit weekend plaats in een prachtig bos nabij Leuven. Ik voel me gedragen, door de groep en vooral door de aarde.

Die middag doen we een Phoenix vuurritueel. Wanneer Veerle uitlegt wat de bedoeling is beginnen de tranen alweer te stromen. We gaan onze angst, verdriet of boosheid van dat moment volledig onder ogen komen en verbranden. Ik zie door de tranen niet goed meer waar ik loop en het maakt ook niet uit. Ik ga richting het bos, alleen en wanneer ik geen stap meer kan verzetten stort ik naar de grond. Als een klein meisje en grote vrouw huil ik. Ik huil als een wolf, naar de bomen, de takken, de bladeren, de zon, de maan en de sterren. Er is geen gedachte die er tussen kan komen. Ik huil vol overgave, tot de laatste druppel verdriet op de zachte aarde is geland. En dan voel ik wat mij zo bang en verdrietig maakt. Het is niet de angst om het kindje dat in mijn buik groeit te verliezen. Het is de angst dat het blijft zitten en groeien en uiteindelijk geboren zal worden. Heel mijn lijf suddert bij die realisatie en ik kan alleen nog maar denken: ‘Ik wil dit niet. Ik kan dit niet.’

Het is een pijnlijke gedachte, een oneerlijke gedachte. Waarom kan ik niet gewoon blij zijn met deze zwangerschap? Waarom kan ik het niet aanvaarden als een geschenk? Wie ben ik om te bepalen of een kindje wel of niet mag/ kan komen? En de andere kant: ik ben net zo aan het genieten van wat meer tijd voor mijzelf en mijn bedrijf. Is het de bedoeling dat dit alles weer in de koelkast komt te staan? En waarom denk ik dat het niet allebei kan? Aaaarrrggg, dat hoofd, die mind, dat ego!!

Wanneer het weekend voorbij is weet ik wat mij te doen staat. Maandagochtend maak ik meteen een afspraak bij Karin (verloskundige in mijn stadje) voor een gesprek en een echo. Nog nooit heb ik met dit termijn een echo laten maken. Überhaupt laat ik alleen een echo doen als ik van binnenuit voel dat het nodig is. Nu komt het meer vanuit mijn hoofd en dat is ook ok.

Dus daar lig ik dan, op een tafel in de knusse praktijkruimte, met mijn onderbuik ontbloot. Iets in mij wil het eigenlijk niet weten. Of het nu wel of niet leeft: beide blijf ik vreselijk spannend vinden. Ik leg mijn handen nog even op mijn buik en laat het kindje weten (mocht het er zijn) dat er wat harde geluiden gaan komen, maar dat het veilig is. Karin zet het apparaat aan en binnen enkele tellen zien we een hoofdje, een lijfje, twee bewegende armen en twee zwemmende benen. Vol verwondering kijk ik naar het kindje. En ik zie meteen: dit is een heel vrolijk en dankbaar wezentje, dat héél graag wil komen. Wie ben ik om mijn hart niet te openen voor dit baby’tje, mijn baby’tje?

Ik voel en zie hoe de echo meteen zorgt voor verbinding met mijn baby. Hoe anders is deze zwangerschap dan de vorige vier… Het is weer een unieke en bijzondere reis. Na deze intense week waarin mijn gevoel heen en weer geslingerd werd tussen ‘het kindje gaat weg’ en ‘het kindje is er echt’ kan ik nu berusten in acceptatie. De storm in mij is gaan liggen.

water-1867234_640

 

 

 

 

 

 

‘Zat je daar op te wachten dan?’

Wanneer ik op maandag over het kleuterplein richting de ingang van de school loop spreekt een moeder mij aan.

‘Ze zeggen dat je een baby in je buik hebt,’ zegt ze met een twijfelachtige glimlach. ‘Dat is toch niet zo?’

‘Wie zijn ze?’ vraag ik haar zo verbaasd mogelijk.

‘De kinderen.’

‘Oh echt?’ zeg ik met een lichte ongeloof. Wat een domme reactie denk ik tegelijkertijd. En ik probeer vliegensvlug te bedenken wat ik nog meer kan zeggen. ‘Tja, ze hebben gelijk.’

‘Oh echt?! Nou… eh… gefeli… Zat je daar op te wachten dan?’ reageert ze enigszins verbouwereerd.

Ik voel mijn buik bevriezen en krijg het gevoel dat ik veroordeeld word.

‘Nee, natuurlijk niet,’ antwoord ik en tegelijkertijd voel ik me nog dommer vanwege deze reactie. Ik loop snel naar binnen.

Een paar dagen later gaat ze in de klas naast me zitten en vraagt wanneer ik ben uitgerekend.

‘Rond de jaarwisseling.’

‘Hè, maar vertel je het dan zo snel aan de kinderen? Hoeveel weken ben je zwanger?’

‘Acht weken ongeveer.’

‘Nou ik zou dat nooit zo snel vertellen. Ik heb echt meer zekerheid nodig.’

Wederom voel ik me veroordeeld worden. Ik begrijp dat zij meer zekerheid nodig heeft. Het eerste termijn loop je het grootste risico om een miskraam te krijgen, maar in feite kan er altijd iets gebeuren. Wat is zekerheid? Ik betrek mijn kinderen in mijn leven. Ze weten wanneer ik mijn maan heb en staan geïnteresseerd toe te kijken hoe ik mijn maandverband verwissel. Ze weten nu dat ik niet ongesteld word, omdat er een baby in mijn buik groeit. Ze weten ook dat een kindje soms maar heel kort in een mamabuik zit en weer een sterretje kan worden. Dat is de cyclus van het leven. Mocht deze zwangerschap uitmonden in een vroeggeboorte, dan is dat wat het is.

‘Dat snap ik, maar we wilden het gewoon graag vertellen. We zien wel hoe het loopt.’ Ik voel me ongemakkelijk. Niet alleen vanwege deze reactie. Ik realiseer me dat je blijkbaar ‘te vroeg’ kan vertellen dat je zwanger bent en dat er een taboe heerst op het krijgen van een miskraam. Of in ieder geval op het delen daarvan. Alsof het te intiem is, wat binnen de vier muren van je woning moet blijven. Dit voelende maakt me verdrietig, want hoewel ik nog nooit een miskraam heb gehad kan ik me wel voorstellen hoe vreselijk eenzaam dat moet zijn. Je verliest iets waar je in liefde al mee verbonden was en vervolgens is er niemand (naast je partner) waarmee je dat verdriet kan delen.

Een week later voel ik me nog ongemakkelijker. Een moeder van één kind vroeg zich af hoe ik het in vredesnaam toch allemaal voor elkaar krijg met vier kinderen. Ik moest er een beetje om lachen en ik zei:

‘En dan komt er nog één bij ook, kan je je dat voorstellen?!’ Erg grappig vond ze het niet.

‘Dat meen je niet! Ik zei laatst toch tegen je dat je een pessarium moest gaan gebruiken? Jij bent iemand die zo makkelijk zwanger raakt. Een pessarium is super handig. Beide kanten smeer je in met zaaddodende gel en je merkt er helemaal niks van. Je mag die van mij wel lenen. Zal ik hem volgende week meenemen?’

‘Eh, nou… volgend jaar misschien?’ antwoord ik en ik weet niet hoe snel ik de andere kant op moet lopen.

Ik zal eerlijk bekennen dat deze twee reacties me een paar dagen hebben beziggehouden. Dat ik mij in eerste instantie veroordeeld voelde, kwam niet zo zeer door wat deze moeders tegen mij zeiden. Het was mijn eigen oordeel. Ik schaamde mij nog steeds een beetje voor deze zwangerschap. Maar het mooie is, dat ik juist door deze twee ervaringen de andere kant op werd geslingerd. Ik kon weer voelen dat ik volledig mijn eigen pad bewandel en zelf mag en wil bepalen wat ik vertel aan mijn kinderen. Dat het ok is om taboes te doorbreken. Dat ik vrij ben en absoluut geen pessarium in mijn yoni wil stoppen. Dit ben ik, Marjolein. Moeder van vier met een vijfde op komst.

woman-2127854_1280

 

‘Mama heeft een baby in haar buik’

Een paar weken nadat ik er ben achtergekomen zwanger te zijn gaan we een kort weekendje naar Den Haag, de stad waar mijn eerste drie dochters zijn geboren, ook wel ‘stinkstad’ genoemd door Thura. Ondanks de onaangename geuren is hier heel veel liefde. Samen met de grote vriendinnen van de meisjes Z. en A. gaan we samen in het reuzenrad op Scheveningen, eten we een ijsje op de boulevard en wordt er -uiteraard- met zand gespeeld. Op een rustig moment verdwijn ik het winkelcentrum in op zoek naar een winkel met babykleertjes. We vonden dat het tijd was geworden om de meisjes te vertellen dat er nog een kindje zou komen en ik wilde dat doen door een lief kledingstukje te kopen. Bij de HEMA vind ik een leuk pakje (van biokatoen!) voor een pasgeborene. Ik koop het met een cadeauverpakking en vol spanning loop ik terug naar het strand.

 

‘Meisjes, kom eens. Mama heeft een cadeau voor jullie,’ hoor ik mijn partner zeggen. Er is weinig enthousiasme. Zora is aan het dollen met A., Layla zoekt schelpjes en Thura weet al wat ik heb gekocht, want ze wilde per se mee naar de winkel. Ronja, de oudste van het stel, komt enigszins nieuwsgierig kijken. Het pakje wordt gretig aangenomen en opengescheurd. Ze vouwt het kledingstukje open.

 

‘Ja eh… Wij passen dit niet meer hoor!’ En het pakje wordt in in papa’s handen geworpen. Papa geeft niet op.

‘Nou kom eens even. Layla? Thura? Voor wie zal dit pakje zijn? Wie past dit pakje wel?’ Een paar nieuwsgierige neusjes duiken op. Je ziet ze nadenken…

‘De pop!’ roept Layla. ‘Of de beer!’ Bij vriendin Z. viel het kwartje meteen al en zij probeert de meisjes nog op wat andere ideeën te brengen. Maar helaas, het zal de zilte zeelucht geweest zijn… Bij geen enkele dochter gaat er een belletje rinkelen. Uiteindelijk zegt papa dat het voor een baby is en dat mama een baby in haar buik heeft. Ronja’s ogen glinsteren voorzichtig op. Ze loopt naar me toe met een grijns om haar mond.

‘Je hebt echt geen baby in je buik. Echt niet. Echt niet. Echt niet.’

Ik heb het babypakje in mijn handen. Het voelt zo zacht.

‘Wordt het een jongen of een meisje?’ vraagt een andere dochter.

Ik kijk naar het pakje. Onbewust heb ik een wit met zacht roze gestreept pakje gekocht.

‘Geen idee. Het wordt sowieso een baby en ik hoop dat het van roze houdt.’

 

De volgende dag gaan we bij opa en oma Hartman langs. Het broertje en zusje van mijn partner zijn er ook. Ik weet dat mijn partner wil vertellen dat ik zwanger ben en ik laat het dan ook graag aan hem over. Ik voel me er heel ongemakkelijk bij. Toch angstig voor hun reactie…

 

Er wordt gevraagd hoe het met het huis staat dat we willen kopen. Het ziet er naar uit dat het allemaal gaat lukken. Het huis wordt beschreven en mijn partner zegt dat het een huis op de groei is. Dit was een subtiele hint om te vertellen dat er nog een kleinkind aankomt. Ik zie zijn zusje even knipperen met haar ogen en de gedachte ‘het zal toch niet…?’ zet ze snel weer uit haar hoofd. Maar wanneer er even later over een babykamer wordt gesproken kijkt ze mij met grote ogen aan.

 

‘Ben je zwanger?!?!’

 

Ik knik schuldig. Ik kan het niet helpen, maar het voelt nog steeds alsof ik een misdaad heb begaan. Mijn schuldgevoel verzacht gelukkig door de super lieve reactie van de schoonfamilie.

 

‘Oh echt?! Wat leuk!!’ roept zus.

‘Wat?! Nee, echt?!’ roept oma. En even later: ‘Nou, jij bent zo’n lieve en geduldige moeder. Nog een vijfde er bij dat kan jij wel.’

 

Op de terugweg naar Zutphen reflecteer ik op mijn gedachten en gevoelens. Ik probeer te voelen waarom er zo’n schaamte zit op deze zwangerschap. Allerlei gedachten dwarrelen voorbij, maar de kern krijg ik niet te pakken. Het hoeft ook niet. Het mag er zijn. Wat ik wel weet is dat met iedere felicitatie mijn acceptatie naar dit kindje groeit. De blijdschap waarmee mensen reageren is heel bemoedigend. Ik voel dat ik mag leunen op de steun van buiten.

 

Alsof mijn partner voelt dat ik druk aan het reflecteren ben, pakt hij mijn hand en knijpt er stevig in.

‘Ik houd van je,’ zegt hij.

Ik kijk hem aan en voel mijn ogen vollopen.

‘Dat is fijn,’ zeg ik en laat mijn tranen stromen.

33460701_01_001_02

 

Nu is het echt

Wanneer ik op een ochtend zo rond eind april ’s ochtends in de keuken sta om de broodtrommeltjes van de meiden te vullen, word ik me opeens bewust van mijn lijf. Ondanks ik lekker geslapen heb voelen mijn benen en armen moe en zwaar. Ik ben niet uitgerust en voel me vreemd, anders dan anders. De afgelopen dagen was mij dit al vaker opgevallen. Ik denk na over welke dag het is en realiseer me dat ik ongesteld moet worden. Dat vind ik voldoende verklaring voor mijn stemming van dat moment.

Een paar dagen later sta ik op dezelfde plek dezelfde trommeltjes te vullen en mijn lichaam laat opnieuw mij voelen dat ik helemaal niet lekker in mijn vel zit. Mijn aandacht dwaalt af naar mijn buik, mijn baarmoeder en ik begin me af te vragen of ik wellicht… Nee, ik wil het niet eens denken. Alleen de gedachte aan… Nee, echt niet. Onmogelijk. Het zou toch niet zo zijn dat ik, nadat mijn hart maanden gesloten is geweest voor mijn partner, na die ene keer vrijen en nog wel buiten mijn vruchtbare periode… Nee. Kan niet. Ik wil niet. Geen optie.

Maar eigenlijk weet ik het wel. Ik voel aan heel mijn lijf dat het plaats aan het maken is voor nieuw leven. Mijn hoofd vindt er meteen van alles van. Ik ben vooral bezorgd om wat de buitenwereld er wel niet van gaat denken. Mensen werpen me met regelmatig een blik toe alsof ze mij willen condoleren. Alsof ze denken dat ik geen leven heb met vier kinderen. Hoe ik het allemaal bolwerk, een gezin en huishouden draaiende houden en daarnaast ook nog eens een eigen bedrijf hebben. En dan nóg een kind? Een vijfde? Is de wereld nog niet overbevolkt genoeg? Hoe ga je al die kinderen voldoende aandacht geven?

Ik verlies me in een apocalyptische gedachtenkronkel en besluit toch maar een test te halen. Bij thuiskomst verstop ik me meteen op het toilet, plas over het staafje en zie vrijwel meteen twee streepjes verschijnen. Oh… mijn… god. Nu is het echt. Nu is het definitief. Vanuit het toilet sneak ik naar boven. De kinderen zijn beneden aan het spelen. Ik ga in de werkkamer van mijn partner zitten, die op dat moment met zijn overvolle agenda en hoofd naar het beeldscherm aan het staren is.

‘Weet je nog wanneer we voor het laatst hebben gevreeën?’ vraag ik. Meteen laat hij het beeldscherm los en kijkt hij mij aan het een wit weggetrokken gezicht met grote ogen.

‘Ben je zwanger?!’

‘Tja, volgens deze test wel…’

‘Meen je dat nou?’ We kijken elkaar geruisloos aan.

‘En nu?’ vraag ik hem.

‘Nou er zit maar een ding op hè?’ Wetende dat wij er nu helemaal geen ruimte voor hebben, onze handen al vol hebben aan de vier meisjes, een huis aan het kopen zijn en zo genieten van wat er al is… ‘Hopen dat het het gaat lukken om het grotere huis te kopen,’ zegt hij met een voorzichtige lach.

‘Het kan nog weg gaan,’ zeg ik met een verontschuldigende blik. ‘We gaan het zien.’

We besluiten het voorlopig voor ons te houden. Ik ben nog niet klaar voor de reacties van de buitenwereld. Maar eigenlijk is het mijn eigen binnenwereld die aan het idee moet wennen. Het idee om moeder van vijf kinderen te worden. Het idee om weer door die hele babytijd te gaan. Wat natuurlijk prachtig is, maar ook veel. Ik denk aan een lieve buurvrouw die zo graag een kindje wil krijgen en al zo lang er op wacht. Ik denk aan het ‘waarom’? Maar mijn gedachten krijgen er geen vat op.

Mentaal moet ik er nog even aan wennen. Mijn lichaam daarentegen doet wat het al vier keer met alle liefde heeft gedaan. En mijn hart? Dat kan onder alle lagen van verdriet, twijfel, onzekerheid en angst een baken van liefdevol vertrouwen zijn. Ik kan het nog niet helemaal omarmen en toch voel ik dat het klopt.

swans-3013954_1280